maandag 16 april 2012

ik weet het niet

Ik heb een boekenkast vol woorden die mij vertellen wat ik kan doen om een gelukkiger mens te worden (in mijn huidige geval gelukkig gelukkiger dan ik al ben). Toen ik het eerste van dit soort boeken begon te kopen voelde ik me echter helemaal niet gelukkig. Jaren geleden was voor mijn verdwaalde ziel elke richtingsaanwijzer meer dan welkom. Ik verslond de boeken die me hoop gaven en probeerde mijn leven volgens de aanwijzingen op de bladzijden in een positieve richting om te buigen. Met ieder nieuw boek dacht ik het helemaal gevonden te hebben: Zó moest het! Natuurlijk! Nu wist ik het zeker! En dat wist ik ook. Tot ik het volgende boek las :-).
Vorige week bestelde ik weer een boek. Genade van Adyashanti. Al na een paar bladzijden vertelde hij me dat ik ten onrechte mijn gedachten geloofde. Huh? Iedereen gelooft toch zijn gedachten? Ik schreef de vorige keer nog dat je zo heerlijk zelf mag kiezen wat je gelooft en dat je in navolging daarvan doet of niet doet. En om zo te kunnen doen of niet te doen moet je toch zeker wel je gedachten, die je na zorgvuldige selectie hebt uitgekozen, voor waar aannemen? Nee hoor, zegt Adyashanti, het is (vrij vertaald) absoluut flauwekul om je gedachten te geloven. Niks van wat je denkt is waar. Je dénkt dat het waar is, maar ook dat is weer een gedachte en die gedachte hoeft ook helemaal niet waar te zijn. Adyashanti lanceert dus de gedachte dat we geen van onze gedachten hoeven te geloven. Mag ik die gedachte dan wel voor waar aannemen? Pfff… kun je het nog volgen?

Ik neem maar even mijn toevlucht tot dit beginsel: “Iets is waar tot het tegenovergestelde is bewezen.” Dit ‘iets’ is in dit geval de gedachte dan mijn gedachten niet waar zijn. Ik zou dus mijn gedachten niet serieus hoeven te nemen tot ik bewijzen heb verzameld die mij tonen dat er wel iets van waarheid is. Ik ga dus uit van de idee dat mijn gedachten niet waar zijn. Dat is nogal wat voor iemand zoals ik die graag en veel denkt…

Wat gebeurt er als ik mijn gedachten niet meer geloof? Volgens Adyashanti krijg je dan als vanzelf de houding van een beginner, van iemand die niet weet. Kenmerkend voor een beginner is dat je open staat voor wat er komt, dat je vrij bent in het kijken naar wat er gebeurt, naar wat er gezegd wordt, naar wat je voelt, naar wat er bij een ander speelt. Hoe zou het zijn als je je leven lang deze beginners houding aanmeet? Het niet weten iedere dag als uitgangspunt neemt. De vrijheid te ervaren om te zien en te horen, om te voelen wat je voelt, om je gedachten te laten komen en net zo gemakkelijk weer te laten gaan. Al die drukte in je hoofd over wat je vindt van wat er is, van wat er moet gebeuren of had moeten gebeuren, het is allemaal niet waar. Heerlijk! Ik denk (daar heb je weer zo’n gedachte) dat ik die gedachte maar eens voor waar aanneem. Of nee, eigenlijk… ook dat hoef ik lekker niet te weten …

donderdag 2 februari 2012

keuzevrijheid

Abraham Hicks schrijft in zijn daily quote van 2 februari:  “Your choices of action may be limited, but your choices of thought are not.”

Dit zou best wel ontmoedigend kunnen klinken, als je kijkt naar wat je allemaal wel zou willen, maar niet kunt doen. Aan de andere kant staan hier de eindeloze mogelijkheden van je gedachten beschreven. Te beseffen dat wat je denkt onbeperkt is, dat je zelf kan en mag kiezen tussen al die mogelijkheden is waanzinnig. Ik kan dus echt álles denken wat ik wil! Volgens mij heeft dat ook enorme gevolgen, want is het niet zo dat mijn handelingen voortvloeien uit mijn overtuigingen? Hoe vaak denk ik bewust na voor ik iets doe? Daar zitten vaak gewoontehandelingen in. En waar komen die gewoontehandelingen vandaan? Van ideeën die zich in mij verankerd hebben. Waar komen die ideeën vandaan? Die heb ik geleerd, onderweg van mijn geboorte tot nu. Toen ik nog piepjong was kon ik natuurlijk nog niet bewust kiezen voor mijn overtuigingen. Tenslotte ben ik ook maar in een bepaalde omgeving met bepaalde overtuigingen opgegroeid. Maar (misschien niet eens zoveel) later, kon ik wél kiezen. Kon ik de ideeën die me niet bevielen laten gaan en ideeën die ik wel waardeerde bij me houden. Daar begint de keuze. Want ideeën aannemen betekent: ideeën uitproberen. Hoe zitten ze mij? Kan ik me er lekker in bewegen of knellen ze? Laten ze me groeien of beperken ze me? Maken ze me blij of verpesten ze mijn humeur? Ideeën aannemen is geen sinecure. Het vraag groot onderzoek en een constante zelfreflectie: “Wat doen deze ideeën met mij en mijn leven?”

Tja, en dan volgt het keuzemoment, de beslissingsronde: hou ik ze of laat ik ze gaan? Sommige ideeën passen wel voor even, maar dan blijkt dat je eruit bent gegroeid. Andere ideeën zijn eigenlijk van meet af aan al een miskoop. Dan wordt het tijd om ze weg te gooien, om afscheid te nemen en op zoek te gaan naar nieuwe. En daar gloort de hoop volgens Abraham Hicks : ideeën zijn eindeloos, onbeperkt. Jij en ik kunnen en mogen eindeloos in vrijheid op zoek naar gedachten die bij ons passen en die ons blij maken. Het leuke is, dan komt het met wat we doen vanzelf ook wel goed.

maandag 24 oktober 2011

waar hoor ik bij?

Waar ik gek genoeg bij vlagen naar op zoek ben is: “Waar hoor ik bij?” Ik vind het eigenlijk best een beetje flauw van mezelf. Mijn wijze ik vertelt me tenslotte dat ik ben wie ik ben ongeacht met wie ik ben, maar mijn kleine ik (althans, zo voelt het) wil soms toch graag weten bij wie ze hoort. Je weet wel, net als op school: ben je de populaire, de alternatieve, de kak, de sufferd of hang je overal tussenin? Ben je iets of ben je niets. Zoiets.

Als ik me hier druk om maak, voel ik letterlijk dat mijn blik heel erg naar buiten is gekeerd. Mijn ogen puilen uit en zuigen alles op wat er om me heen gebeurt. Ik aanschouw en oordeel “de wereld” en zoek mijzelf daar een plaats in die me past. Echt vinden doe ik hem niet. Mijn oordelen zitten in de weg en de plekken die ik zie voelen al gauw te benauwd, te klein, te eenzijdig, te weinig mij. Bovendien krijg ik er ook nog eens hoofdpijn van.

Naar buiten kijken voelt dus heel onplezierig en als ik dit een tijdje heb gedaan weet ik ook wel weer dat ik mijn ogen kan keren, ze achter in mijn hoofd mag laten rusten en van hieruit met een zachte blik mag kijken binnenin mij. Wie ben ik in mij? Hoeveel van mij is er werkelijk in mij? Door wie wordt mijn lichaam eigenlijk bewoond? Zijn de ideeën in mijn hoofd de mijne? Is wat ik voel ook echt van mij? Is wat ik doe dat wat ik bedacht heb? Is hoe ik ben wel hoe ik wérkelijk ben?

Deze vragen maken in één zwierige zwaai de allereerste vraag overbodig. Als ik helemaal mij ben dan weet ik echt wel bij wie ik me thuis voel en bij wie niet, bij wie ik me voel opveren en bij wie niet. Ja, nu ik het zo zeg weet ik dat ik me niet hoef bezig te houden met de vraag bij wie ik hoor, maar met de vraag: bij wie voel ik een glimlach en bij wie niet. Dat is de plek waar ik wil zijn.

maandag 19 september 2011

Wil ik dit werkelijk?

Deze zin haalde ik vandaag uit een stapel inzichtkaarten. Ik vind het een mooie vraag, mits ik natuurlijk ook de moeite neem om werkelijk over het antwoord na te denken. Een “ja” is snel gezegd: “túúrlijk, geen probleem, ja hoor, ik kan, ik kom, ik ga, ik doe…” Maar de vraag Wil ik dit werkelijk? gooit op de meest ongelegen momenten roet in het eten. Wil ik na tien koekjes nog een elfde? Wil ik écht met een groep schoolkinderen op de fiets naar een pretpark? Heb ik werkelijk zin in dat feestje? Wil ik echt gedichten schrijven? (ja :-))
Wil ik dit werkelijk kan voor groot en kan voor klein. Soms blijft ja een ja en nee een nee, maar vaak genoeg verandert het ook. Van nee naar ja is vaak niet zo lastig, maar van ja naar nee is daarentegen een lange weg bezaaid met redelijke en onredelijke argumenten. Tenslotte heb ik dan daarvoor al gezegd dat ik wel…, maar nu ik nog wat langer denk en voel vind ik toch meer niet, dus ja is eigenlijk nee en ja, deze nee is niet leuk voor jou maar een ja voor jou betekent nee voor mij en nou ja… zoiets dus.
Afgelopen vrijdag vond er in mijn hoofd een hele discussie plaats op weg naar de meditatiecursus in Nijmegen. Twee jaar geleden deed ik deze zelfde cursus met mijn lieve zus. Een jaar geleden overleed zij en nu ga ik dus alleen. Wil ik dit werkelijk? Ja, hoor. Bij het aanmelden wilde ik dit wel, de hele zomer ook en tot 10 kilometer voor Nijmegen twijfelde ik nergens aan. Maar vlak voor Nijmegen kwam mijn zus helder en duidelijk bij mij in de auto zitten. Ze wilde wel mee, zo leek het. Dat wilde ik dus écht niet, dacht ik, en dus stuurde ik haar weg onder het mom van: je bent weg en ik moet dit nu toch zonder jou doen, dus dan dóe ik dit ook alleen. Ik vond mezelf heel duidelijk, maar zij was dat ook en aangezien we beiden vasthoudend en eigenwijs waren/zijn, reden we zo kibbelend Nijmegen binnen. Ze ging gewoon mee. Mee naar binnen, mee naar de meditatie en daarna ook weer mee naar huis. Wilde ik dit? Nee. Want wat heb ik gehuild en wat deed het weer zeer om haar te missen. Wilde ik dit werkelijk? Ja. Want wat werd ik liefdevol opgevangen in Nijmegen en wat was het fijn om haar zo dichtbij te voelen en wat maken tranen toch weer een hoop schoon vanbinnen.
Wil ik dit stukje plaatsen op mijn blog? Ja. Wil ik dit wérkelijk?…

vrijdag 5 augustus 2011

tijd heelt alle wonden

Tja. Wat moet ik met deze zin? Deze uitdrukking bestaat al zolang, dat ik denk dat er toch op z’n minst een kern van waarheid in moet zitten. Tijd als heelmeester, als genezer, als wonderbaarlijke heler van pijnlijke wonden… Ik weet het niet.
Tijd verstrijkt. In de tijd verslijt er van alles wat heel had mogen blijven en wat je na een tijd helaas moet vervangen. Maar dat verslijten doet tijd niet zelf. Het is door het gebruiken van de spullen dat maakt dat ze stuk gaan, niet door de tijd zelf. Tijd laat je ook dingen vergeten, maar ook daar is de tijd niet zelf verantwoordelijk voor. Het is je geheugen dat oude sporen wist. Als een bos dat oude ongebruikte paden gewoon weer in eigendom neemt en laat begroeien. Wil je nieuwe paden, dan zul je moeten blijven lopen, je moeten blijven herinneren waar je ook alweer dat pad wilde hebben.
Tijd doet dus tot zover niks. Het zijn dan ook de herinneringen, de spullen, de gebeurtenissen die iets doen in de tijd die verstrijkt.
Wat doen wonden uren, weken, maanden nadat het gat is geslagen? Wonden zelf doen volgens mij ook niks. Wonden zijn gewoon wonden. Verdriet is verdriet, een gat is een gat. Fysieke wonden worden als het meezit door ons lichaam onder handen genomen, maar psychische wonden? Emotionele wonden? Is ons lichaam ook in staat om deze wonden te genezen zonder dat we ons daar zelf mee hoeven te bemoeien? Ik moet alweer bekennen: ik weet het niet.
Ik weet wel dat je als mens heel goed emotionele wonden in stand kunt houden. Je kunt je wonden koesteren, je kunt er steeds weer naar terugkeren en de pijn voelen. Je kunt levenslang jouw ooit opgelopen wond voelen. Maar daarnaast zijn er ook gewonde mensen die hun leed achter zich kunnen laten. Na verloop van tijd ja, maar daar hebben ze zelf kei- en keihard voor geknokt. Het verdriet gevoeld, de pijn gedeeld, de wonden erkend in hun bestaan. Toch is het niet dat wat de wonden deed genezen. Zonder hun wonden te vergeten, namen ze een groter perspectief en zagen dat er meer was dan die ene wond. Meer wonden op hun eigen ziel, maar ook wonden op de zielen van anderen. Ze wisten dat de hele wereld bedekt was met wonden, maar ze wisten ook de gladde stukjes huid daartussen. Ze zagen het reliëf en waardeerden de verschillen in het landschap. Ze koesterden de zonnige paden die ze wilden lopen en lieten de paden van verdriet overgroeien met mooie bloemen. Niet om te vergeten, maar om het leven te eren op hun wandeling van geboorte naar de dood. En alleen daarom al denk ik dat het niet de tijd is maar de mens die alle wonden heelt. Maar zeker weten doe ik het niet...

dinsdag 14 juni 2011

wat ik zeg is niet vanzelfsprekend dat wat de ander hoort

Zondagochtend, een tijdje geleden. De zon scheen. 's Middags zouden we naar het theater gaan, maar eerst hadden we nog een hele vrije ochtend voor ons. Oudste zoon ging met zijn vader een eindje fietsen, jongste zoon en ik deden in bed nog een kaartspelletje. Een uurtje later, na het ontbijt, gingen de mannen boogschieten en ik wandelen. Na het schieten speelden we nog een partijtje voetbal, dronken we koffie in het dorp en toen was het nog maar 13.00 uur. Hoe leuk al deze activiteiten ook waren geweest, ik had er voor mijn gevoel al een hele dag op zitten, dus stelde ik voor om die middag de theatervoorstelling te laten schieten en lekker thuis te blijven. Iedereen, althans dat dacht ik, was er mee eens.

Die middag gingen we allemaal zo onze eigen gang, tot ik aan het einde van de middag de jongste aan de oudste hoor vragen:
“Hoe laat we eigenlijk naar de voorstelling?“ Oudste antwoordt:
“We gaan helemaal niet.” Jongste reageert verbaasd:
“We gaan niet? Waarom niet? We zouden toch gaan?”
Oudste legt uit waarom we niet gaan. Jongste is zwaar teleurgesteld. Hij had zich duidelijk verheugd op de voorstelling.

Ik hoor het gesprek met verbazing en met een licht ongemakkelijk gevoel aan. Ik moet toegeven dat dit niet de eerste keer is dat zo'n situatie voorkomt. Het gebeurt vaker dat jongste niet weet wat we gaan doen. Toen we het vanmorgen bespraken was hij erbij, dat weet ik zeker. Dat hij nu niet weet wat we op dat moment besloten betekent dat hij niet met ons heeft meegeluisterd, maar betekent vooral ook dat wij niet met hém hebben gesproken. Oudste heeft daarentegen alles gehoord en meebesloten.

maandag 2 mei 2011

Vergeet je eigen plezier in de misstappen van anderen. Help ze overeind.

Eerlijk toegegeven, de misstappen van een ander geven mij soms een goed gevoel. Niet vanwege het leedvermaak, maar vooral vanwege mijn eigen onzekerheid. Tot mijn vreugde zie ik dat een ander ook fouten kan maken en al maakt mij dat niet beter dan de ander, het geeft mij wel het gevoel dat ik in ieder geval zeker niet minder ben dan die ander.

Het is een onlogische maar oh zo menselijke logica. We zoeken allemaal naar overeenkomsten en verschillen. Wie ben jij, wie ben ik en wie zijn wij ten opzichte van elkaar? Vergelijken is op zich heel onschadelijk, totdat we ons begeven op het veld van oordelen en een strakke lijn gaan trekken tussen gelijk en ongelijk.

Wat gebeurt er met ons als we vinden dat wij aan de kant van het gelijk staan en de ander niet? Ikzelf heb nog nooit een goed gevoel overgehouden aan het winnen van een discussie of een ruzie. De kortstondige triomf wordt altijd razendsnel gevolgd door een enorm gevoel van eenzaamheid. Daar sta ik dan, op eenzame hoogte van mijn zelf gebouwde podium, mijn beker in mijn handen, mijn hoofd trots in de lucht, verheven boven alle anderen die het minder goed wisten dan ik. Alleen. Eenzaam. Dankzij mijn verheven oordeel over de verschillen tussen mijzelf en anderen…