woensdag 11 december 2013

©

laatste

het was je hand
die zei tot later
lief tot straks
dan gaan we
verder waar
we waren maar
daar zijn we
nu niet meer

Ellen van Hierden
23 oktober 2013






Minder dan 4 weken nadat we wisten dat ze acute leukemie had, was mijn zusje er zo slecht aan toe dat ze onder narcose aan de beademing moest. Ik was bij haar in Amsterdam. Ze had het zo benauwd. Ze was zo moe. Door het kapje van het zuurstofapparaat kon ze nauwelijks praten, maar ze wilde nog zo graag dingen zeggen, dingen regelen. Met slappe vingers schreef ze letter voor letter een paar woorden op papier. Haar tas. Haar laptop. Haar dagboek. Haar kinderen. Geen bezoek. Nee. Even niets. Even niemand. Totdat ze weer wakker zou zijn. Dan zouden we allemaal aan haar bed staan en haar verwelkomen en haar vertellen dat ze weer beter zou worden, dat de witte bloedlichaampjes toch wel teruggekomen waren.

De dokter kwam. Een zeer meelevende vrouwelijke arts. En een evenzo zorgzame en liefdevolle verpleger. Het was tijd om te gaan slapen. We durfden elkaar niet te omhelzen uit angst om haar te besmetten met allerlei virussen. Ze keek me verdrietig aan met haar helderblauwe ogen. Ik zei: “Tot straks lieverd, ga lekker slapen, het komt wel goed.” Ze stak haar hand op. En sliep.

Dat was op een dinsdag. 
Elf dagen later werd de beademing stopgezet en overleed ze.